De vogelspin: Soorten

Je kan de vogelspinnen grofweg indelen in de volgende soorten:

- Boom- en struikbewoners
- Bodem- en grondbewoners

 

Boom- en struikbewoners

Zoals de naam al doet vermoeden leven deze vogelspinnen in struiken of bomen. Hun lichaamsbouw verschilt dan ook van de bodembewoners. Ze hebben opvallend lange poten, met aan de voet en middenbeen een bundel haren. Deze bundel haren komt de spin goed van pas, want hiermee heeft de spin goed houvast op het gladde oppervlak van bladeren en bomen. Tevens kan de spin door deze beharing op de voeten zich laten vallen van een tak zonder zichzelf te verwonden. Ze spreidt bij de val haar behaarde poten, wat als een soort valscherm werkt. Ongedeerd komt de spin terecht op een tak of op de zachte bosbodem. Vervolgens geven deze haren de spin ook nog drijfvermogen op het water, wat natuurlijk een zeer praktische oplossing is als het regenseizoen er is.
  De boomspin is slank gebouwd, waardoor de dieren zich snel over takken kunnen bewegen.  Meestal hebben rustende boomspinnen twee paar poten naar voren gestrekt en twee paar naar achteren gestrekt. Hieraan kun je de meeste boomspinnen dan ook herkennen. Door deze houding kan de spin prima rusten op smalle takken, tussen spleten, kieren en ga maar door. In Amerika leven deze soorten ook in parken, tuinen en huizen, waar ze zich nuttig maken door het vangen van plaaginsecten.

 

Bodem- en grondbewoners


De bodembewoners kun je eigenlijk weer onderverdelen in bodembewoners en grondbewoners. De bodembewoners hebben schuilplaatsen boven de grond, zoals holle takken, onder boomschors, holtes tussen wortels, onder stenen en grind of plantaardig materiaal dat op de bodem ligt. De grondbewoners daarentegen graven zelf hun hol ónder de grond, soms tot wel twee meter diep! Deze grondbewoners zul je dan ook niet vaak te zien krijgen.